Niet elk huwelijk is perfect. Ook niet in de begindagen van Wilhelminaoord. Het is zondag 25 juli 1824 als de directeur van de kolonie meldt dat ‘kolonist  J.W. Steenhui­zen van kol. N4 agterlatende zijne vrouw en kinderen (…) den 21e dezer is gedeserteerd‘. Volgens de directie behoort de ongeveer 50-jarige Johannes Wilhelmus Steenhuizen ‘tot de werkzaamd­ste en oppassend­ste kolonisten’ en leeft het gezin welvarend op de kolonie. Hij vermoedt dat de man ervandoor is gegaan vanwege de ‘gedurige oneenigheden met zijn vrouw’.

Dat vermoeden blijkt te kloppen. De volgende dag, maandag 27 juli, meldt Johannes Wilhelmus zich bij de subcommissie van weldadigheid Amsterdam die hem twee jaar ervoor naar Wilhelminaoord had gezonden. Hij vertelt ‘de kolonie te hebben verlaten om onze hulp en medewerking te kunnen verzoe­ken dat hij hoe eer zo liever van zijne vrouw van tafel, bed en bijwoning zoude kunnen worden gescheiden’. Zijn echtgenote is de ongeveer 48-jarige Jannetje, ‘met welke vrouw, hij zegde, niet langer te kunnen leven’.

In ieder geval voor Jannetje is dit het tweede huwelijk, vermoedelijk was Johannes Wilhelmus bij hun trouwen ook al weduwnaar, want de vijf kinderen met wie ze in Wilhelminaoord wonen zijn al wat ouder en hij noemt ze ‘mijn’ kinderen en niet ‘onze’ kinderen. Misschien heeft zij ook wel klachten over hem, maar die zijn niet geboekstaafd. Die van Johannes Wilhelmus wel, want hij loopt tegenover de subcommissie Amsterdam helemaal leeg. Hij wil van haar af omdat zij ‘slordig was, alles verwaarloosde, zijne kinderen tot een slegt voorbeeld vertrekte, en dezelve daar te boven, tot ongehoorzaamheid en opstand tegen hem stijfde en opzettede.’

De subcommissie

De subcommissie heeft duidelijk geen zin hier haar handen aan te branden. Ze verwijst hem door naar ‘de Heer Hoofd-directeur der kolonien, vervolgens aan den Raad van Discipline derzelve en dit alles niets batende aan de bevoegde lokale rechtbank’ en ze maakt vooral werk van het feit dat hij  zonder verlof naar Amsterdam is gereisd. Streng wijst men hem op ‘het ongeoorloofde en strafbare zijner handelwijze om de kolonie in stilte te verlaten’. Johannes Wilhelmus belooft de volgende avond meteen het beurtschip te nemen dat de geregelde nachtelijke verbinding met Steenwijk onderhoudt.

De kolonie-directeur zit hier ook niet op te wachten. Hij doet niets en schrijft de landelijke leiding dat hij hoopt ‘hare intentie te vernemen’. Maar daarna gebeurt er ook helemaal niets. De Maatschappij van Weldadigheid voelt zich niet geroepen om als echtscheidings-adviseur op te treden. Blijkbaar voelt Johannes Wilhelmus Steenhuizen dat aan, want als hij een jaar later om ontslag van de kolonie vraagt, voert hij hele andere gronden aan. Omdat hij ‘door lighaamsgebreeken, zoo van borstkwaal als andersints buiten staat ben eenige de minste veldar­beid te verrigten‘ en omdat vrijwel alle kinderen dan het huis uit zijn en werk in Amsterdam hebben gevonden. Maart 1826 gaan Johannes Wilhelmus en Jannetje ook die kant op. Of het tussen de twee ooit weer goed gekomen is, is onbekend.

Wil Schackmann